Category

Myrthe

Category

Twee maanden geleden begon ik met een klinische behandeling van drie maanden. Een behandeling gericht op mijn traumaklachten. Voorafgaand aan de behandeling was er eigenlijk maar één ding dat me bezighield: het eten in de kliniek. Na talloze opnames is het voor mij wel duidelijk dat het per groep en behandeling verschilt of, hoe en wat er gekookt wordt. Van mensen die eerder deze behandeling hadden gevolgd, had ik hele uiteenlopende berichten gehoord: ‘je mag blij zijn als je niet iedere avond broodjes knakworst eet’ en ‘een grote stapel pannenkoeken staat regelmatig op het menu’ en ‘ik kookte dingen die bijna niemand kende’ en alles daar tussenin. Ik wist dus echt niet wat ik kon verwachten.

Ik was vooral bang dat mijn groepsgenoten niet bereid zouden zijn om rekening te houden met mijn coeliakie en lactose-intolerantie. Ik was bang dat ze zouden denken dat ik glutenvrij eet, omdat ik “hip” wil zijn. Ik was bang dat ze me zouden afwijzen, omdat ik te ingewikkeld zou zijn op het gebied van eten -nog even los van alle andere mogelijke gronden voor afwijzing die ik me kon indenken.

In de intakeprocedure had ik deze angsten en twijfels op tafel gelegd en daar werd mij geadviseerd om contact op te nemen met de sociotherapeuten als ik een startdatum zou hebben. Zo gezegd, zo gedaan. Toen ik een startdatum had, belde ik een dag later de sociotherapeuten. Tot mijn grote verbazing kreeg ik een sociotherapeut aan de lijn die zelf coeliakie heeft. Dat was ontzettend fijn, want zij begreep mijn angsten. Ze wist van binnenuit hoe nauw kruisbesmetting komt. Ze snapte heel goed dat coeliakie niet gaat over het willen volgen van een hype, maar dat het ‘gewoon’ een auto-immuunaandoening is. We maakten wat afspraken en ze stelde me gerust: als er onvoldoende eten zou zijn, mocht ik met de pinpas van de kliniek boodschappen doen.

Gewapend met drie bakken lactosevrije kwark, een zak muesli, glutenvrij brood en een bakje bevroren pompoenpindastoofpot meldde ik me een aantal weken later bij de kliniek. Tijdens de lunch maakte ik kennis met mijn groepsgenoten. Na een voorstelrondje vroeg één van hen, ‘heb je ook dieetwensen?’ Het zweet brak me uit en voorzichtig heb ik gezegd dat ik coeliakie en een lactose-intolerantie heb. Ik vervolgde, ‘ik eet in principe ook vegetarisch, maar als het allemaal te ingewikkeld wordt, wil ik ook wel een keertje vlees eten. Ik heb trouwens lactasepillen, dus die lactose-intolerantie kan ik ondervangen. En ik wil ook zelf wel koken hoor.’ Mijn hart zat in mijn keel terwijl meerdere groepsgenoten reageerden: ‘ik eet ook vegetarisch, dus dat komt wel goed.’ ‘Het is een uitdaging, maar we gaan gewoon voor je koken hoor.’ ‘Als jij ons wil uitleggen wat je wel en niet mag, dan komen we een heel eind.’
Wát een opluchting was die reactie.

Inmiddels zijn we twee maanden verder en al mijn groepsgenoten hebben zich aan hun woord gehouden. Ik heb in geen enkele kliniek zó gevarieerd, uitgebreid en lekker gegeten als ik in de afgelopen twee maanden deed in deze kliniek. En daar ben ik mijn groepsgenoten ontzettend dankbaar voor.

‘Het wordt echt beter.’ ‘Ik heb er alle vertrouwen in dat het goed gaat komen met jou.’ ‘Nog even doorbijten.’ ‘Jij komt er echt wel, je hebt zoveel in je mars!’ ‘Je bent zo sterk en zo’n doorzetter.’

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Hoe vaak ik dit wel niet heb gehoord, in een kaartje zag staan of in een appje heb gelezen… het leek en lijkt vaak alsof de hele wereld vertrouwen in mij heeft, behalve ikzelf.

Even terug in de tijd
Zo’n tien jaar geleden kwam ik als cliënt in de GGZ terecht. Ik had geen idee wat er aan de hand was, behalve dat ik mezelf te dik vond en niet wilde eten. Ik wist niet wat ik moest met de hulp en begeleiding die ik kreeg en had ook geen idee van wat ik zou kunnen bereiken als ik die hulp zou aanvaarden. Door de jaren heen heb ik de wereld van de GGZ leren kennen. Ik leerde wat de geschreven en ongeschreven regels zijn; ik leerde de mores in groepsbehandelingen en ik maakte kennis met eindeloze vragenlijsten.

Als ik nu terugkijk op die eerste jaren begrijp ik ontzettend goed dat ik niet wist wat me overkwam. Ik leefde in een vrij giftig milieu, maar dat was het enige wat ik kende: ik dacht dat het normaal was. Na jarenlange groepstherapieën, waarin ik verhalen van groepsgenoten hoorde, begon langzaam door te dringen dat mijn achtergrond misschien niet heel normaal was. Maar écht vertellen wat ik meemaakte? Tot in details? Nee, dat deed ik niet. Ik schaamde me. Ik was bang voor de veroordeling en de afwijzing. Ik was bang dat mensen boos zouden worden en me niet zouden geloven.

Intensieve behandelingen
De afgelopen jaren heb ik heel wat klinieken en instellingen van binnen gezien. In intensieve behandelingen leerde ik om de lat een stukje lager te leggen en om wat vaker rust te nemen. Ik leerde me uitspreken en ik stond iets vaker stil bij hoe ik me voelde. Ook kreeg ik mijn destructieve gedrag steeds meer onder controle. Gedragsmatig ging het dus best redelijk goed -en dat is ook wat de mensen om mij heen zien.

Echter, gevoelsmatig was er nog maar weinig veranderd…

En nu verder…
Momenteel ben ik weer opgenomen: een klinische traumabehandeling van drie maanden vanwege mijn PTSS-klachten. Deze kliniek is een wereld van verschil in vergelijking met andere klinieken waar ik ben geweest. En meer dan ooit sluit de zelfstandigheid, de eigen verantwoordelijkheid en regie die ik hier heb en krijg, aan bij wat ik nodig heb.
Het geeft me namelijk de ruimte om verder uit te bouwen wat ik de afgelopen jaren geleerd heb. Ik vind het sinds een paar jaar fijn om een middag voor mezelf te hebben of om een serie te kijken onder een dekentje met een kop thee. Ik mag en kan en durf te voelen waar mijn behoeftes liggen en daarnaar te handelen. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Er zijn steeds vaker momenten dat ik durf na te denken over de toekomst. Dat ik terug durf te komen op eerder genomen besluiten waarin ik vooral gehandeld heb naar de wens van anderen in plaats van naar mijn eigen wensen. Mijn leven bestaat niet meer voornamelijk uit de GGZ en, belangrijker nog, er zijn momenten waarop ik ook niet meer wil dat mijn leven om de GGZ draait. Dat niet meer willen, is doodeng. Ik heb ruim twintig jaar moeten óverleven en vond in de GGZ voor het eerst een stukje veiligheid. Maar steeds vaker kan en durf ik te voelen dat ik mezelf die veiligheid ook kan geven. Ik leer langzaam om mildheid en zelfcompassie te waarderen en daarnaar te handelen: iets wat in schril contrast staat met wat ik gewend ben. Met andere woorden, het wordt een stukje lichter in mijn hoofd. En eerlijk? Het bevalt me wel.

Al die mensen hadden gelijk:
iedere storm gaat liggen.

Ik heb het voor de grap wel ‘s geroepen: ‘ik ben ondertussen zelf een halve therapeut met al mijn therapie-ervaring’. En daar is geen woord van gelogen. Van menig therapeut heb ik teruggekregen dat ik in groepstherapieën snel geneigd ben om op de stoel van de therapeut te gaan zitten. Toen ik vorig jaar ging nadenken over wat ik met mijn studie wilde gaan doen, heb ik ook serieus nagedacht over de opleiding tot ervaringsdeskundige via Howie the Harp -maar besloten dit niet te doen.

Toen de lock-down in Nederland werd afgekondigd, was ik van de ene op de andere dag mijn dagbesteding kwijt. Ik studeerde immers nog niet, maar werkte mee aan een aantal projecten die allemaal stop werden gezet. Ik merkte al snel dat het thuiszitten me niet goed deed en dus ging ik op zoek naar vrijwilligerswerk. Zodoende kwam ik op mijn huidige werkplek terecht. Sinds een aantal maanden begeleid ik ex-gedetineerden bij hun terugkeer in de maatschappij. Samen zoeken we naar huisvesting, brengen we eventuele schulden in kaart, zoeken we werk, vragen we een uitkering aan en regelen we nog veel meer van dat soort maatschappelijke zaken.

En ineens sta ik aan de andere kant. Toen ik twee jaar geleden, tijdens mijn opname, een uitkering aanvroeg, liep ik tegen de bureaucratische rompslomp in mijn woonplaats aan. Uiteindelijk was het een sociotherapeute die met mij naar de gemeente ging bellen omdat ik er zelf niet meer uitkwam. Nu ben ik ineens degene die voor een cliënt naar de gemeente belt. Nu ben ik degene die rapporteert. Nu ben ik degene die met collega’s overleg heeft over de aanpak en bejegening van een cliënt.

Ik heb me altijd afgevraagd hoe hulpverleners dat doen, therapeut zijn. Zouden ze gesprekken of situaties mee naar huis nemen? Zou het hen ook in hun vrije tijd bezighouden? Zouden ze daadwerkelijk onthouden wat ik vertel of rapporteren ze alles en lezen ze die rapportage vlak voor een gesprek weer door om te weten wie ik ook alweer was?

Eigenlijk vind ik deze ervaring ontzettend waardevol. Het gaat me er niet om dat ik wil kunnen zeggen ‘ik ben therapeut’, want dat ben ik niet. Ik ben gewoon een vrijwilliger die op basis van gezond verstand en ervaring met de sociale kaart en de gemeente in mijn woonplaats, anderen ondersteunt en nieuwe dingen leert. Wat ik zo bijzonder vind, is dat ik nu zelf kan voelen dat een hulpverlener gewoon maar eens mens is. Immers, ik ben degene die de cliënt begeleid, ik verleen de hulp en ondersteuning en dus neem ik even de rol van hulpverlener op me.

Het mooiste voorbeeld hiervan was een gesprek dat ik recent had met een collega. Ik noem haar even Sterre. Sterre begint nu aan haar tweede master (forensische, klinische psychologie) en is al basispsycholoog. We hadden een afspraak met een cliënt, Peter, die we samen begeleiden. Na die afspraak kwamen we terug op kantoor en riep Sterre enthousiast naar onze leidinggevende, ‘Peter is verloofd, echt zo leuk!’ Onze leidinggevende moest lachen. Terwijl Sterre en ik gingen zitten, begon ze opnieuw te praten. ‘Ik vind Peter echt zo’n leuke cliënt. Zou je eigenlijk een lievelingscliënt kunnen hebben?’ ‘Ik hoor vaak van therapeuten dat ze wel een lievelingscliënt hebben’, zei ik tegen haar. ‘Ik ben basispsycholoog, ik vind dat het kan’ en daarop schoten we in de lach. ‘Peter is mijn lievelingscliënt’, zei ze. ‘En de mijne ook’, voegde ik toe.

Wat ik hier zo tof aan vind? Het deed me realiseren dat hulpverleners inderdaad maar gewoon mensen zijn. Mensen met een persoonlijke voorkeur, met eigen gedachten en gevoelens en hun eigen, persoonlijke blik op een situatie. En dat vind ik ontzettend waardevol.

De afgelopen jaren heb ik een heel scala aan instellingen, afdelingen en behandelingen bewandeld. Ik heb veel mogen leren, vele tranen gelaten en waardevolle inzichten gekregen van mijn therapeuten. Maar op sommige momenten waren het niet mijn therapeuten, maar mijn groepsgenoten die mij het meeste brachten. Want in al die behandelingen, tijdens alle opnames, tussen therapieën door en als ik thuis was en ben, zijn zij er. Zij verdienen de grootste eer. Dus daarom hierbij een ode aan mijn (oud-)groepsgenootjes.

Lieve (oud-)groepsgenootjes,
Misschien kennen jullie me niet meer. Misschien ben ik verdwenen uit jullie hoofd, omdat naast mij nog honderden anderen dezelfde naam, “(oud-)groepsgenoot”, dragen. Misschien herinner je me vaag van een module, een kortdurende crisisopname of van de wachtkamergesprekken. Of misschien heb je mij nog heel helder voor de geest, weet je wie ik ben en heb ik misschien wel een belangrijke rol mogen spelen in jouw herstelproces. Of misschien ligt de situatie wel heel anders.

De exacte details doen er niet toe. Want jullie hebben iets gemeen: jullie zijn er altijd (geweest). Als verpleging, sociotherapeuten, groepsleiders of behandelaren in gesprek waren, waren jullie daar. Als de nachtdienst een onbekende man of vrouw was die drie verdiepingen lager ergens in een hokje zat, dan waren jullie daar. Als de nachtdienst niet achterhaald kon worden omdat zijn of haar naam niet op het bord stond, dan waren jullie daar.

Ook als ik uit een therapie kwam die me zwaar was gevallen, kon ik op jullie rekenen: een arm om me heen, een knuffel, iemand die een kopje thee komt brengen of zegt ‘kom, we gaan een stukje wandelen’. Tijdens therapie waren jullie degene die mij steunden door te zeggen ‘ik herken wat je zegt’ of ‘ik begrijp je gevoel zo goed’ of ‘wat ontzettend naar dat je je zo voelt’. Ik mocht eindeloos lang huilen, oefenen met boos worden en keer op keer navragen of jullie me niet raar, stom of dom vonden.

Tegelijkertijd waren jullie ook degene die ik af en toe het liefste achter het behang wilde plakken, omdat jullie me confronteerden en een spiegel voor hielden. Jullie waren degene die mij stopzette, als ik weer te hard doorrende. Jullie lieten me zien hoe ik mezelf kapot maakte, zonder dat ik dat zelf doorhad. Jullie stonden het toe als ik fouten maakte, gaven me vele kansen en wezen me niet af als persoon om de fouten die ik maakte.

Ik heb het soms behoorlijk pittig gevonden om zoveel mensen om me heen te hebben. Jullie zijn ontzettend gezellig, vooral ’s avonds laat, maar het groepsleven is ook zwaar. Jullie hebben zelf ook een lading shit en dat vond ik vaak moeilijk. Het liefste wilde ik deze van jullie wegnemen en op mijn eigen schouders dragen. Dit was natuurlijk een illusie, maar het betekende ook dat ik wilde zeggen: ik ben blij dat je er bent en ik wil er graag voor je zijn.

Bij jullie kreeg ik namelijk ruimte om te leren, te vallen en weer op te staan. Ik mocht verder bouwen aan mijn herstel en onderzoeken wie ik ben en wat ik belangrijk vind. Ik kreeg de ruimte om voor mij belangrijke waarden en normen te delen, ook als deze soms afweken van wat “gewoon” was.

Maar het belangrijkste is misschien wel dat ik me aan jullie kon en mocht hechten. Dit zorgde ervoor dat ik kon ervaren dat ik, ondanks alles, nog in staat ben om me te hechten (en onthechten) aan mensen. Jullie hebben me hierdoor het gevoel gegeven dat ik leef. Jullie hebben mij mijn gevoel van eigenwaarde teruggegeven en ervoor gezorgd dat ik steeds meer durf te laten zien van wie ik echt ben aan de “grote boze buitenwereld”.

Jullie hebben me geleerd en doen voelen dat ik mag zijn wie ik ben en dat ik goed ben zoals ik ben. En dat is iets wat niemand me ooit nog zal leren. Dat is wat ik aan jullie te danken heb. Dus, vanuit de grond van mijn hart: lieve (oud-)groepsgenootjes, dankjewel voor alles wat jullie voor mij hebben gedaan.

Liefs

(Deze blog is eerder verschenen op mijn eigen blog)

Afgelopen weekend was ik een paar dagen weg met vriendinnen. Twee geweldige vrouwen van wie ik me niet voor kan stellen dat ze niet meer in mijn leven zijn. Lief en leed hebben we gedeeld en met elkaar hebben we flink wat bergen beklommen. Toch zag ik op tegen dit weekend, omdat mijn eetstoornis de laatste tijd veel meer opspeelt. En die kan ik niet thuis laten als ik een paar dagen weg ga.

De week voordat we weg gingen, was mijn hoofd één en al eetstoornis: “als ik vandaag wat eerder naar huis ga, heb ik nog tijd om een extra rondje te hardlopen”, “ik kan beter naar huis lopen in plaats van het OV gebruiken”, “ik mag echt niet meer eten dan … want ik moet dit weekend gewoon normaal eten” en ga zo maar door. Het niet eten, vooraf compenseren en het gepieker over hoe eten in het weekend zou gaan, maakte de voorpret een stuk minder.

We hebben een heel gezellig weekend gehad, maar in mijn hoofd namen de eetgestoorde gedachten flink wat ruimte in. Zo aten mijn vriendinnen een lekkere ijscoupe, terwijl ik zonder ijs aan de tafel zat. Een dagje later haalden we (weer) een ijsje en kon ik er even echt van genieten. Dit ijsje zorgde tegelijkertijd ook voor complete error rond lunchtijd. Immers, ik had al een ijsje gehad, dan mag ik niet óók nog lunchen.
Bij alles wat ik at, was ik bang voor wat dit met mijn gewicht zou doen. Rationeel kan ik nog wel bedenken dat ik niet ineens kilo’s aankom van een weekendje (iets) meer eten, maar de angst voor wat de weegschaal na het weekend zou laten zien, was enorm.

Ik ben niet mijn eetstoornis. Ik ben niet mijn gewicht. Ik ben niet hetgeen wat ik eet. Of eigenlijk, zoals ik ooit met watervaste stift op mijn weegschaal schreef, “You are MORE than this number”. En elke keer dat ik op mijn weegschaal stap, word ik daaraan herinnerd. Het voelt niet altijd zo, maar ik ben niet dat getal. Ik ben gewoon Myrthe, een jonge vrouw met een passie voor schrijven, iemand die geïnteresseerd is in de wereld om haar heen, nooit uitgeleerd raakt, zichzelf wil blijven ontdekken en langzaam leert om te leven. Ik ben creatief, enthousiast, liefdevol, betrokken, open en eerlijk. Ik ben ik -en dat is genoeg.

Het is inmiddels iets meer dan een jaar geleden dat mijn huisarts die ontwrichtende woorden uitsprak. ‘Het is overduidelijk. Jij hebt coeliakie.’ De opluchting dat er een verklaring was voor mijn klachten én dat deze opgelost konden worden, maakte al snel plaats voor boosheid en verdriet.

Ik was boos op mijn lichaam. Was dit mijn “verdiende loon” na tien jaar eetstoornis? Ik was ook boos op iedereen om me heen die ook maar een beetje twijfelde aan de diagnose. Ik was boos op mezelf, omdat ik de afgelopen jaren mezelf zo ongelooflijk veel lekkere dingen heb ontzegd vanuit mijn eetstoornis. Die diagnose betekende dat het er niet meer in zou zitten om al die lekkere dingen te eten -tenzij ik het ervoor over heb om ziek te worden.
Het maakte me ook verdrietig. Ik wilde dit helemaal niet. Ik wilde mijn eetstoornis achter me laten en dan weer zorgeloos genieten van eten. Het voelde alsof al die emoties nooit meer over zouden gaan. Verzwelgen in zelfmedelijden is ietwat overdreven, maar het zat er niet ver vandaan.

Inmiddels zijn we meer dan een jaar verder…

Al die mensen die tegen mij zeiden dat mijn boosheid wel over zou gaan, hadden gelijk. Al die mensen die tegen mij zeiden dat ik echt wel weer onbezorgd zou kunnen gaan eten, lijken ook gelijk te hebben. Al die mensen die zeiden dat “het went”, hadden gelijk. Al die mensen die zeiden dat dit geen straf was als gevolg van mijn eetstoornis, hadden gelijk.

Boodschappen doen vind ik een rotklus -al jarenlang- maar inmiddels loop ik net zo automatisch naar het schap met de glutenvrije crackers als ik vroeger naar de gewone crackers liep. Ik weet welke zak muesli ik moet pakken, ik weet welke jam ik moet hebben en welke currypasta zowel lekker als glutenvrij is.

Net zo automatisch als het doen van mijn boodschappen, kook ik ook glutenvrij. Alle glutenbevattende producten heb ik aan mijn huisgenoten gedoneerd, dus ik mag alles eten wat ik in mijn kastjes heb staan. Als ik een recept lees, weet ik in negen van de tien gevallen direct of er iets aangepast moet worden -en zo ja wat dan. Soms moet ik het even opzoeken, maar daarin is Google mijn beste vriend.

Ik heb nieuwe producten leren kennen en ik ben nieuwe recepten gaan uitproberen. Vriendinnen houden rekening met me en als ze er niet uitkomen, vragen ze me om mee te denken. Ik hoef niet bang te zijn dat ze per ongeluk expres toch glutenbevattende producten gebruiken. Ik hoef niet bang te zijn voor kruisbesmetting. Als ik bij een vriendin eet, eten we glutenvrij. Dat er zoveel rekening met me wordt gehouden, vind ik soms lastig, maar tegelijkertijd ook heel erg waardevol. Ik mag er zijn, mét mijn coeliakie.

Ben ik blij met die diagnose? Ik ben blij dat ik weet hoe ik mijn buikklachten kan verminderen. Ik ben blij dat ik niet gek ben en er “gewoon” een naam is voor alles wat mijn lichaam deed. Maar ik ben stiekem wel trots op wat ik in dit jaar heb bereikt. Welke stappen ik, bewust en onbewust, heb durven zetten. Alles wat ik los heb durven laten.
Ik ben er nog niet -maar ik ben verder dan waar ik gisteren was.

Ik sta in de deuropening van de kliniek, klaar om voor de allerlaatste keer naar buiten te lopen. Mijn opname zit erop, ik ga het weer zelf doen. Niet alleen, maar wel op eigen benen. Mijn groepsgenoten en therapeuten vormen voor de deur een erehaag en aan het einde van die rij staat een aantal vriendinnen te wachten. Vriendinnen met wie ik daarna koffie ga drinken en taart ga eten in de stad.

Eén voor éen ga ik alle therapeuten en groepsgenoten langs en geef ik ze een hand, knuffel of drie zoenen. Totdat ik bij één van de sociotherapeuten kom. Ze pakt mijn handen vast, kijkt me recht in de ogen en zegt, ‘ik wil je vragen of je je rol wil afgeven.’ Ze blijft me aankijken en ik kijk haar -enigszins verward- aan. Meteen schiet door mijn hoofd, “shit, hebben ze uiteindelijk toch door gehad dat ik een extra baxterrol achterover heb gedrukt toen ik wisselde van medicatie? Come on, je gaat daar toch niet nú een punt van maken?!?!
Ik vraag om verduidelijking, ‘welke rol bedoel je?’. ‘De rol van patiënt’, zegt ze, terwijl ze nog steeds haar handen om mijn handen heeft gevouwen. En ineens snap ik wat ze bedoelt.

Ik dwaal al jaren rond in de psychiatrie en eigenlijk is het van kwaad tot erger gegaan. Inmiddels ben ik zo gewend aan het “cliënt-zijn” dat het me vaak maar een dagje kost om tijdens de zoveelste opname aan te voelen wat in díe kliniek de ongeschreven regels zijn. Die rol van patiënt is mijn tweede natuur geworden. Het idee dat ik op een dag de GGZ volledig achter me zal laten, beangstigt me. Hoe moet het dan? Wie ben ik dan?

Terwijl we daar buiten staan, denk ik terug aan de woorden uit het verhaal dat ik die ochtend voorlas in de groep: “tijdens deze behandeling heb ik gevochten om weer te willen leven en te durven zijn. En er is een stuk in mij dat wil leven. Dat is er altijd geweest, maar het is groter geworden.” En dan realiseer ik me wat die woorden betekenen: het is tijd om te kiezen voor het leven.
Ik kijk de betreffende sociotherapeut aan en zeg, ‘ja. Ik wil hierbij mijn rol als patiënt afgeven. Ik laat ‘m hier achter. Bij jou.’ Na nog wat lieve woorden loop ik verder, richting mijn vriendinnen.

Haar woorden hebben me niet meer losgelaten. Ik heb geen idee of zij mij nog kent. Of ze nog weet heeft van dit gesprek. Het enige wat ik wél weet, is dat ik een afspraak heb. Ik heb gezegd dat ik mijn rol als patiënt afgeef. En hoe ongelooflijk eng het ook is… het betekent dat ik ga leven. Het hoeft nog niet meteen met volle overtuiging en met 100% inzet. Ik mag ook best ‘s onderuit gaan. Zolang ik maar weer opsta.

Tot op de dag van vandaag neem ik haar woorden mee en handel ik naar dat wat ik heb afgesproken. Eng? Ja. Wil ik het? Lang niet altijd. Is het zoals ik het me had bedacht? Nee. Het is zwaarder, leuker, mooier, verdrietiger en ingewikkelder dan ik me had kunnen bedenken. Maar ik lééf.

Een tijdje geleden kreeg ik van een vriendin een onwijs tof boek: een vegetarisch én glutenvrij kookboek. Ik was hier al een tijdje naar op zoek, maar ik kon geen geschikt boek vinden. Ja, er bestaan meer glutenvrije kookboeken, maar die zijn heel vaak óók koolhydraatarm of paleo-proof of … noem maar op. Maar gelukkig vond zij er eentje.

Ik vind nieuwe boeken altijd ontzettend fijn. Ze ruiken lekker, ze zijn nog helemaal gaaf en alle letters in het boek zijn nog nooit door mij bekeken. Al die letters samen vormen een verhaal -of in dit geval: recepten. Bladerend door het boek zag ik ontzettend mooie foto’s staan. Afbeeldingen van gerechten waarvan mijn hart een beetje warmer wordt. Ik las ingrediënten die niet standaard zijn, maar die ik bijna allemaal wél ken. En als kers op de taart is dit kookboek niet ingedeeld op ontbijt-lunch-diner, maar op alfabetische volgorde van de groente die centraal staat. Immers, van een simpele salade maak je in een handomdraai een maaltijdsalade van.

Echter, er zit ook een grote “maar” aan dit onwijs mooie cadeau. Als ik al die recepten wil uitproberen, dan zal ik meer moeten gaan eten. Ik zal een volwaardiger eetpatroon moeten opbouwen. Rationeel gezien weet ik dat de kans dat ik acuut tien kilo aankom nihil is. Maar gevoelsmatig werkt het anders.

Eigenlijk maakt me dat ook een beetje verdrietig. Want ik houd van koken. Ik kook meestal zonder recept: ik heb een idee in mijn hoofd, ik gooi dat wat ik nodig heb in de pan en het resulteert bijna altijd in dat wat ik in mijn hoofd heb. Die vrijheid vind ik heerlijk, want het geeft me de mogelijkheid om een keer andere groenten te gebruiken. Of een hele andere kruidenmix te maken. (Ja, gewoon zelf maken. Veel lekkerder en goedkoper en daarnaast bevatten bijna alle pakjes&zakjes toch gluten) En ik houd óók van eten. Want ja, dat kan. Ook als je een eetstoornis hebt.

Dit boek kreeg ik op een behoorlijk dubbele dag: de dag waarop ik een jaar vrij was. En misschien, misschien moet ik dit boek maar gewoon zien als een volgende stap. Een stap verder in het leven in vrijheid. Een stap verder terug de maatschappij in. Een stap verder verwijderd van de psychiatrie. Een stap verder in het herstel van mijn eetstoornis.

De afspraak stond al een tijdje gepland: met mijn psychiater. Het was ons eerste face-to-face gesprek sinds corona ons land trof. Toen ik ruim een half jaar geleden kennis maakte met haar, kwam ik een paar dagen later bij mijn therapeut met de woorden, ‘je zei toch dat er twee psychiaters zijn? Kun je straks met me meelopen naar de balie en daar een afspraak bij die andere psychiater regelen?’ Mijn therapeut liet me rustig uitrazen, ik kon vertellen over hoe ons gesprek was verlopen en wat er -in mijn ogen- allemaal niet goed was. Ik kreeg de therapeutisch verantwoorde reactie die ik absoluut níet wilde krijgen: ‘hoe zou het zijn als je dit de volgende keer gewoon met haar bespreekt?’ vroeg mijn therapeut.

Zo gezegd, zo gedaan (ja echt). En sindsdien ben ik ontzettend blij met mijn psychiater. Ik mag aangeven waar mijn vragen en behoeftes liggen, ik mag vertellen wanneer ik eventueel medicatie wil veranderen, afbouwen of opbouwen. En die regie is voor mij ontzettend belangrijk. Ik heb niet de regie over haar receptenblokje, maar ik kan wél aangeven waar ik tegenaan loop. En zij luistert.

Een tijdje geleden is er het één en ander veranderd rondom mijn medicatie, wat nogal veel invloed heeft op eten en mijn gewicht. En dus zijn mijn gewicht en eetpatroon nu ook onderwerp van gesprek bij mijn psychiater. Ik weiger pertinent mijn gewicht te benoemen, maar enkel een BMI vindt ze gelukkig ook goed.

De afgelopen maanden had ik weinig controle. Door het virus viel zo’n beetje alles wat ik had opgebouwd sinds ik uit de kliniek ben, weg. Alle ogenschijnlijk normale dingen, ergens spontaan koffiedrinken, mijn studentenvereniging, een tof project… alles viel weg. En dus greep ik terug op datgene waar ik wel controle over heb: eten. Eerlijk gezegd beviel het me ook best goed dat mijn medicatie hier een “positieve” bijdrage aan levert.

In werkelijkheid is er niets positiefs aan. Die medicatie vermindert mijn eetlust behoorlijk en zorgt ervoor dat ik snel vol zit. En dús ging ik minder eten, want hé, als ik geen honger heb, waarom zou ik dan nog eten?
Maar nu heb ik er dus een probleem bij. Want verder afvallen brengt mijn behandeling in gevaar. Tegelijkertijd is het stoppen van deze medicatie ook spelen met vuur… Met andere woorden, de eeuwige zoektocht naar “balans” zet ik door.

De regie ligt bij mij. De verantwoordelijkheid ligt bij mij. Over vijf weken spreek ik mijn psychiater weer. En als ik voor die tijd vastloop, is het aan mij om aan de bel te trekken. Hoe tegenstrijdig het ook voelt. Want dat is een eetstoornis: één en al tegenstrijdigheid.

Afgelopen week vierde ik mijn verjaardag. Of nouja, vieren is een groot woord. Twee vriendinnen kwamen bij mij thuis eten. Het was fijn om elkaar te zien en te spreken en gewoon “normale” dingen te doen. Maar mijn verjaardag was in vele opzichten ontzettend dubbel…

Dat het virus van invloed is, zal je niet verbazen. Al langere tijd liep ik met het idee om met z’n drieën uiteten te gaan op mijn verjaardag. In principe mag het, maar met alle maatregelen vond ik het veel te ingewikkeld. En dus aten we bij mij thuis. Een heleboel kleine hapjes en gerechtjes -en taart als toetje!

Het was ook een verjaardag zonder familie. Deels vanwege het virus, deels vanwege familie-omstandigheden. Het maakt het allemaal net een beetje ingewikkelder en daarmee ook verdrietig. Ik had het graag anders gezien. Samen. Met elkaar. Zonder gedoe.

Vorig jaar vierde ik mijn verjaardag in de kliniek. In een verzoek aan het behandelteam schreef ik toen:
“De afgelopen jaren wilde ik helemaal niet jarig zijn: ik wilde niet ouder worden, want ik wilde überhaupt niet leven. Ik zag geen licht meer aan het einde van de tunnel en was de hoop verloren dat het ooit nog beter zou worden.
Na vier maanden opname begin ik langzaam te voelen dat ik blij ben dat ik er nog ben en dat mijn lichaam de strijd niet heeft opgegeven. Ik lijk mijn hoop terug te vinden en, belangrijker nog, de wil om te leven. Precies in lijn met het motto van mijn behandeling: willen leven, durven zijn. Mijn verjaardag, de dag waarop ik vier dat ik leef, lijkt nu passender dan ooit.”

Om die reden wilde ik op mijn verjaardag met een vriendin uiteten, om samen mijn verjaardag (en mijn leven) te vieren. Ik kreeg goedkeuring en we gingen uiteten.

Ik leef nog steeds, maar met de terugkerende depressieve klachten zijn de momenten waarop ik me afvraag waarom, steeds vaker aanwezig. Niet meer willen, moe zijn, levensmoe. Moe van de eindeloze strijd en het vechten, wetende dat de dag overleven leidt tot een nieuwe dag waarin ik het gevecht weer aan moet gaan. Het maakt dat ik het moeilijk vond om te vieren dat ik leef, omdat ik soms niet weet of ik wel wil leven.

En dan hebben we natuurlijk nog het eten. Dat terugkerende thema dat al-tijd de kop opsteekt bij een verjaardag. Het was nu mijn verjaardag, dus ik kon beslissen wat we zouden eten en hoe dat klaargemaakt zou worden. Toch blijft het stres geven. Bang om aan te komen. Bang dat mijn lichaam het niet binnen kan houden. Bang voor alle calorieën en bang voor moeilijke gesprekken.

Maar ondanks alles, ondanks alle tegenstrijdige gevoelens, heb ik een fijne en waardevolle avond gehad.