Met mijn benen opgetrokken op de stoel, zit ik vast in de eetzaal. Ietwat onhandig hang ik vermoeid tegen de verwarming aan. Het is vroeg in de ochtend en voor de zoveelste keer ging er een nacht voorbij waarin ik niet geslapen heb. Een groepsgenoot komt binnenlopen en zonder woorden schenkt hij een kop koffie voor me in. Soms zijn er geen woorden nodig om te weten wat goed is. 

Ongeveer zes weken zitten erop in de kliniek. De dagen voelen zwaar en lang. Het liefst had ik er mooie zinnen aan gegeven, maar ze zijn rauw. In mijn hart voelt het namelijk niet meer dan een stukje zwartheid. De dagen kom ik moeilijk door en daar waar de therapieën me moeten helpen, brengt het me alleen maar een opstapeling aan informatie.

Je moet je voorstellen dat iedere dag vol zit met groepstherapie. Bij de ene therapie ben je in gesprek met elkaar en bij de andere therapie ben je wat meer fysiek bezig. Denk maar aan muziektherapie of PMT. Ik wist wel van mezelf dat ik niet zo’n prater ben, maar dat ik zo bizar hard dichtklap als nu, dat wist ik niet. Tot ik bij muziek me voor heel even mag laten gaan op de contrabas. Mijn hoofd raakt letterlijk leeg.

Het lijkt alsof ik twee werelden aan het samensmelten ben en ik geen idee meer heb hoe ik dit moet handelen. Thuis, mijn eigen huis. De kliniek, de plek waar ik me helemaal niet thuis voel maar wel moet zijn, om me eens weer wat meer beter moet gaan voelen. Het is ontzettend zoeken naar de juiste manier van zijn en doen.

Tot ik vorige week in een keer helemaal niet meer kon. De dagen vulde ik wel, maar ik was er niet echt. Ik stapte wel uit bed, maar de therapie volgen, lukte me niet. Nadenken, woorden praten, ik blokkeerde en dat resulteerde er in, dat ik in geen enkele therapie echt nog iets inbracht. Ik zat op slot.

Samen met mijn behandelaar heb ik besloten om voor even er tussenuit te stappen. Wetende dat ik een persoon ben, die moet doen, moet sporten, actief bezig moet zijn, ga ik sowieso één week naar huis en wellicht twee. Ik wil tot rust komen, mijn lijf even laten zijn, niks moeten, wandelen, sporten en vooral gewoon zijn. Daarna gaan we kijken hoe ik verder ga. Hoe maak ik de kliniek af. Hoe kan ik thuis en de kliniek samenvoegen. Hoe kan ik mezelf blijven in de kliniek en hoe kan ik – die altijd sport als uitlaadklep nodig had, dat ook in de kliniek voortzetten.

Het is zoeken, vallen en opstaan. Maar het allerbelangrijkste was, dat ik mezelf de ruimte gaf. Ik was eerder dan ik zelf wilde, al aangewezen op het feit, dat ik een stap terug moest doen. Maar ik wilde zelf mijn grens bepalen. En die maakte ik nu. Misschien een week te laat, maar wel zelf. Ik hield de regie, ging in overleg en maakte de keuze. Ik gaf mezelf ruimte en dat was een van de meest belangrijke dingen die ik mezelf op dit moment heb kunnen gunnen.

Blijf in gesprek, altijd – wanneer dan ook!

Eén gedachte over “Het leven uit de kliniek #2”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *