Ik sta in de deuropening van de kliniek, klaar om voor de allerlaatste keer naar buiten te lopen. Mijn opname zit erop, ik ga het weer zelf doen. Niet alleen, maar wel op eigen benen. Mijn groepsgenoten en therapeuten vormen voor de deur een erehaag en aan het einde van die rij staat een aantal vriendinnen te wachten. Vriendinnen met wie ik daarna koffie ga drinken en taart ga eten in de stad.

Eén voor éen ga ik alle therapeuten en groepsgenoten langs en geef ik ze een hand, knuffel of drie zoenen. Totdat ik bij één van de sociotherapeuten kom. Ze pakt mijn handen vast, kijkt me recht in de ogen en zegt, ‘ik wil je vragen of je je rol wil afgeven.’ Ze blijft me aankijken en ik kijk haar -enigszins verward- aan. Meteen schiet door mijn hoofd, “shit, hebben ze uiteindelijk toch door gehad dat ik een extra baxterrol achterover heb gedrukt toen ik wisselde van medicatie? Come on, je gaat daar toch niet nú een punt van maken?!?!
Ik vraag om verduidelijking, ‘welke rol bedoel je?’. ‘De rol van patiënt’, zegt ze, terwijl ze nog steeds haar handen om mijn handen heeft gevouwen. En ineens snap ik wat ze bedoelt.

Ik dwaal al jaren rond in de psychiatrie en eigenlijk is het van kwaad tot erger gegaan. Inmiddels ben ik zo gewend aan het “cliënt-zijn” dat het me vaak maar een dagje kost om tijdens de zoveelste opname aan te voelen wat in díe kliniek de ongeschreven regels zijn. Die rol van patiënt is mijn tweede natuur geworden. Het idee dat ik op een dag de GGZ volledig achter me zal laten, beangstigt me. Hoe moet het dan? Wie ben ik dan?

Terwijl we daar buiten staan, denk ik terug aan de woorden uit het verhaal dat ik die ochtend voorlas in de groep: “tijdens deze behandeling heb ik gevochten om weer te willen leven en te durven zijn. En er is een stuk in mij dat wil leven. Dat is er altijd geweest, maar het is groter geworden.” En dan realiseer ik me wat die woorden betekenen: het is tijd om te kiezen voor het leven.
Ik kijk de betreffende sociotherapeut aan en zeg, ‘ja. Ik wil hierbij mijn rol als patiënt afgeven. Ik laat ‘m hier achter. Bij jou.’ Na nog wat lieve woorden loop ik verder, richting mijn vriendinnen.

Haar woorden hebben me niet meer losgelaten. Ik heb geen idee of zij mij nog kent. Of ze nog weet heeft van dit gesprek. Het enige wat ik wél weet, is dat ik een afspraak heb. Ik heb gezegd dat ik mijn rol als patiënt afgeef. En hoe ongelooflijk eng het ook is… het betekent dat ik ga leven. Het hoeft nog niet meteen met volle overtuiging en met 100% inzet. Ik mag ook best ‘s onderuit gaan. Zolang ik maar weer opsta.

Tot op de dag van vandaag neem ik haar woorden mee en handel ik naar dat wat ik heb afgesproken. Eng? Ja. Wil ik het? Lang niet altijd. Is het zoals ik het me had bedacht? Nee. Het is zwaarder, leuker, mooier, verdrietiger en ingewikkelder dan ik me had kunnen bedenken. Maar ik lééf.

Author

1 Comment

  1. Wat een mooie vraag! Ik snap best dat je die in eerste instantie even niet snapte, maar ik vind ‘m echt heel sterk. Net als jouw antwoord natuurlijk;).

Write A Comment