Na een zware nacht, probeer ik mij nog een keer om te draaien. Al bijna een week lig ik op een stapel dekens die ik achter de kast vakkundig heb neergelegd als veilig plekje. Het bed is onaangeroerd. Vannacht is de nachtdienst twee keer gekomen en twee keer heb ik vriendelijk ´hallo´ gezegd, terwijl ik me alles behalve  vriendelijk vanbinnen voelde. Er woedde een storm, herbelevingen en ik kon alleen maar huilen.

Als ik mij omdraai, weet ik precies het nummer aan te zetten, waardoor ik uit bed kan komen. Ik heb immers een verlofafspraak en mag naar de kerk. Iets waar ik graag heen ga op zondag. Ik maak me klaar, prop omdat het moet, een stuk ontbijtkoek naar binnen en vraag naar mijn zonodigmedicatie. Alles om de ochtend makkelijker door te komen. Als ik eenmaal richting kerk kan, ben ik al zo ontzettend op en is alle energie uit mij, dat ik geen idee heb, hoe ik het ga volhouden, maar ik ga het proberen.

Met een paraplu en een mok koffie in mijn handen, wandel ik naar de kerk. Dat is het fijne dat het zo dichtbij is. De ochtend is zwaar. De mensen die ik zie, zijn allemaal lief. Maar in mij is alles al ontzettend op. Nadat we gestart zijn met de dienst, gezongen hebben en ik meerdere keren alle kracht uit mezelf gehaald heb, besluit ik een aantal vrienden in te lichten en terug te keren naar de kliniek.

Lekker gefaald Ber. Faal. Had je nou niet ook nog even de dienst gewoon uit kunnen zitten?

Allemaal woorden die er door mijn hoofd gaan en die me nog verdrietiger maken dan ik al was. Als ik terugkom bij de kliniek, stort ik neer op een stoel bij de verpleging. Voor ik weer weg maak, wat ik voel, roep ik gelijk maar: ‘Ik kan niet meer’. En mijn tranen die zichtbaar waren, blijven zichtbaar en maak ik niet weg. Er wordt een kop thee voor me ingeschonken en samen kletsen we. Alle woorden die ik mezelf zo hard had ingeprent, dat ik gefaald had, langer had moeten blijven, beter had moeten zijn, de dienst had moeten uitzitten – zij zet er allerlei woorden recht tegenover.

Woorden als ‘Toen je vanmorgen je bed al uitkwam, vond je het al moeilijk, en probeerde je al wat te maken van je dag.’ ‘Je bent ondanks het slechte weer, wandelend naar de kerk gegaan en hebt geprobeerd zolang je volhield.’ En ‘Die weg die dan normaal misschien zo kort duurde, en nu zo lang leek – wel een uur in jouw geval, je liep het wel.’ Ze heeft al mijn woorden die ik op dat moment niet meer kon zien, omgezet in krachtige woorden. In woorden die niet lieten zien dat ik faalde. In woorden die waarheid waren, maar die ik niet zag.

Dat ik wegliep bij de dienst, doet nog steeds pijn. Want hoe de verpleegkundige het ook zei ‘je bent ziek, en je zit niet voor niets op een crisisafdeling.’ Dat weet ik. Ik wil zo graag weer alle energie hebben. Zo graag alle krachten die ik had meenemen in alles, maar er is gewoon even een en andere Bernice ontstaan de afgelopen tijd. En blijkbaar is dat ook even niet anders. Zo is het nu eenmaal en ik kan er alleen maar aan toegeven, en niet tegen vechten. Dat is wat ik nu moet gaan accepteren. Loslaten dat ik wil strijden tegen een strijd die ik niet hoef te strijden, maar toegeven aan dat ik even niet hoef te strijden.

Eén gedachte over “Ziek en grenzen”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *